19 okt. 2010

De baard van Hunnecum

Het glazen album van Limburg,16 oktober 2010 t/m 17 april 2011, expositie in het Limburgs Museum Venlo

Het Limburgs Museum Venlo bewaart 3.600 bijzondere glasnegatieven. Ze zijn in 2002 en 2005 verworven met steun van de Stichting Vrienden van het Limburgs Museum. Het zijn opnames uit Limburg uit de jaren dertig. De foto’s zijn gemaakt door Jan de Jong (1898-1971) voor uitgeverij De Spaarnestad, die onder meer de weekbladen Limburg in beeld en Panorama / Ons Zuiden uitgaf.

De foto’s geven een ogenschijnlijk idyllisch beeld van Limburg. Vol romantische bloesem, rustige dorpsstraatjes en verstilde stadsgezichten. Maar wie beter kijkt, ziet ook de bedrijvigheid van de Limburgers. En breekbare beelden van de crisis.







Hunnecum-1

De baard van Hunnecum


Het kan zo maar gebeuren. Je begint aan de zaterdagse krant, komt op deze pagina en ziet opeens iemand terug bij wie je bijna zeventig jaar geleden aan het sterfbed hebt gestaan. Het overkwam enkele weken geleden Bertha Neulens-Wilders (1925). Ze herkende de kleine man met baard die voor zijn kruiwagen loopt ogenblikkelijk. Het moest opa Kleintjens uit Hunnecum bij Nuth zijn. Een telefoontje met haar jongere zus maakte een einde aan het laatste spoortje twijfel. Bertha Neulens-Wilders: “Opa Kleintjens was niet onze echte opa. Hij werd door de kinderen van Hunnecum zo genoemd, omdat hij oud was. Hij was een opgewekte man die altijd grapjes maakte. We mochten hem graag. Hij was klein van stuk en had een baard die alsmaar langer werd. Lei Kleintjens was een echt dorpstype. Met zijn vrouw Miene zat hij vaak op een bankje bij zijn huis. Een dochter woonde bij haar ouders, de andere kinderen waren allemaal getrouwd. We gingen vaak bij de familie op bezoek. In Hunnecum kwam iedereen bij elkaar over de vloer. Dat was heel gewoon. Toen ik een meisje van een jaar of veertien was, werd opa Kleintjens ziek. Hij lag in de beddekoets, een bedstee. We baden een onzevader bij hem. Toen hij overleden was, heb ik hem nog gezegend met een palmtèkske en wijwater.”

De fotograaf van De Spaarnestad heeft de markante dorpsbewoner op 4 juni 1937 uitvoerig geportretteerd. Op een van de andere foto’s zit hij bij het spinnenwiel. Ook is hij met zijn vrouw vereeuwigd. Hier poseert Kleintjens voor zijn boerderij die later afgebroken is. Slagerszoon Jan Custers (1925) uit Nuth bezorgde op zaterdag de bestellingen van de klanten en kwam zodoende regelmatig bij de familie Kleintjens over de vloer. Jan Custers: “Ik bracht eind jaren dertig de bestellingen rond met zo’n ouderwetse transportfiets met korf. Om zeven uur ’s morgens fietste ik eerst naar Treebeek, waar ik op de MULO zat. Voordat de school begon had ik al tien klanten gehad. We hadden zaterdags niet veel lessen dus tegen een uur of elf, half twaalf was ik weer thuis. Dan begon meteen de tweede bestelronde. Hunnecum was een van de zogenaamde baovegehuchte van Nuth. Lei Kleintjens had een bijnaam: de Baard van Hunnecum. Het gezin woonde in een eenvoudig boerenhuisje. Ik kwam nooit verder dan de keuken. Daarin was ook de alkoof van Lei en zijn vrouw Miene. De familie had het niet echt breed. Daarom gaf mijn moeder soms iets extra’s mee. Een zakje knapsjes, reepjes afsnijdsel van vet spek. Die werden in een pan uitgebakken.“

Bertha Neulens-Wilders woonde op een steenworp afstand van de familie Kleintjens. Het Hunnecum uit de jaren van Het glazen album van Limburg was een fijne plek om op te groeien. Bertha Neulens-Wilders: “We hebben een heerlijke jeugd gehad. Hunnecum was een kinderrijk dorp. Wij hadden er thuis acht. Dat was niet uitzonderlijk voor de oorlog. Zes of zeven kinderen was normaal. Bij de familie Gardeniers, de buren van Kleintjens die de dorpswinkel hadden en een stroopstokerij, hadden ze er zeventien. Op zondag voerden de kinderen van Gardeniers soms een toneelstukje op. Voor een cent mocht je komen kijken. Hunnecum was een misjmasj van grote en kleine boeren en mijnwerkers. Er woonde ook een kantonnier. De onderlinge band was heel goed. De kern van Nuth met de school, de kerk, het gemeentehuis en het postkantoor was zo’n twintig minuten lopen van ons vandaan. Op mooie zomeravonden kwamen de mensen samen onder een boom die tegenover het huisje van Kleintjens stond. Men kletste wat over koetjes en kalfjes. Er was een vrijgezel die van een goed glas hield. Om hem werd vaak gelachen. Heel goedmoedig allemaal, hoor. Achteraf heb ik me gerealiseerd dat wij eigenlijk heel lang onbezorgd kind zijn gebleven. Nu zijn jonge mensen vroegwijs. In 1942 is mijn moeder overleden. Uiteindelijk ben ik het huishouden gaan doen. In 1944, bij de bevrijding, is ons huis in Hunnecum afgebrand. We kregen van de gemeente een bovenwoning in Nuth toegewezen. Toen ik trouwde kwam vader bij ons inwonen. Het harde werken heeft mij sterk gemaakt.“

Miel Bruls (1930) is een echte Hunnecum-deskundige. Hij heeft de geschiedenis van het gehucht en zijn bewoners tot in detail bestudeerd. Miel Bruls: “In Hunnecum stonden in de jaren dertig 37 woningen, ik schat dat er zo’n 120 mensen woonden. Lei Kleintjens was in 1862 in Hunnecum geboren en overleed er in 1941. Zijn vrouw Philomena Duizings kwam van Nuth en was vier jaar jonger. Ze hadden zeven kinderen. Lei Kleintjens was een zonnig figuur met veel humor. Zijn ogen twinkelden altijd. Hij maakte graag een praatje, zelfs met de heiligenbeeldjes zonder kop die hij in de boomgaard achter zijn huis had staan. Hij droeg zijn pet soms achterstevoren. Hij zat vaak met zijn vrouw Miene op de pompestein op de binnenplaats van hun boerderij. Miene zat er vaak sokken te breien van zelf gesponnen wol. Lei begroette voorbijgangers altijd met ‘Juidit’! Wat het betekende, weet ik niet. De grote dag in huize Kleintjens was op 24 augustus 1928 toen er een dubbele bruiloft was van twee dochters, Pauline en An. Lei was dol op zijn kleinkinderen. Hij was overigens de enige boer in Hunnecum die een koe als trekdier had.” Tot slot nog een mooie anekdote die Jo Custers altijd is bijgebleven: “Lei Kleintjens had op een meter of vijftig van zijn huis een tuin waar groenten en aardappelen werden gekweekt. Op zekere dag kwam hij van zijn land met een kruiwagen vol aardappelen. Hij ontmoette een bekende met wie hij in gesprek kwam. De kennis prees de aardappelen in de kruiwagen. Met gebalde vuist en omhoog gestoken arm antwoordde Kleintjens dat ze zo mooi waren omdat er ‘de pele (drollen) van Miene’ in zaten. Zoals elke keuterboer in die tijd bemestte hij zijn land met de inhoud van de toiletput.”

Misschien, maar het is zuiver speculatief en doet niets af aan de kwaliteit van de foto, dat de zinken ketel die hij met de kruiwagen vervoert wel ‘de pele van Miene’ bevatten.

Geen opmerkingen: